De zonnewortel is afkomstig uit Noord-Amerika. Het verschil met de aardpeer is dat de knollen van de zonnewortel gladder en slanker zijn dan de aardpeer. De smaak is te vergelijken met die van de aardpeer, licht zoet en nootachtig.
De plant is niet veeleisend qua grondsoort, maar heeft de voorkeur voor losse, vrij rijke en goed doorlatende grond. Bij ons staan ze in de zware klei, waar ze het ook prima doen. Wel zijn de knollen daardoor soms wat krom(mer).
Zonnewortels staan bij voorkeur op een zonnige, beschutte plek, maar in de halfschaduw doen ze het ook goed. Ze kunnen wel hoog worden, rond de 2 meter, plant ze daarom aan de noordzijde van planten die graag in de zon staan.
De zonnewortel bevat inuline. Dit zorgt voor een zoete smaak. Na het koken of bakken van een zonnewortel wordt de smaak nog zoeter. Tijdens de bereiding komt geen glucose vrij. Waardoor zonnewortels ook geschikt zijn voor diabetici. Daarnaast bevat inuline ook bepaalde zuren die goed zijn voor onze darmflora. Deze bevorderen de werking van de darmen en kunnen daardoor enige winderigheid veroorzaken.
De knollen kunnen worden geoogst, zodra de stengels zijn afgestorven, dat is meestal rond eind oktober/ begin november. Aangezien de knollen winterhard zijn is oogsten niet noodzakelijk. De knollen kunnen ook de hele winter in de grond blijven. Wat je niet oogst zal in het voorjaar weer verder groeien en vermenigvuldigen.
Zonnewortels drogen vrij snel uit. Oogst daarom niet meer dan wat in enkele weken wordt gebruikt. Bewaar de geoogste knollen in vochtig zand in bijvoorbeeld een ton of een bak.






